De afhaalvakantie

Nu het negatief reisadvies door Rutte is verlengd tot half april, kan niemand de komende maand, zonder samengeknepen billen althans, op vakantie naar Frankrijk. Maar daar hebben wij in de Bourgogne iets op gevonden: de afhaalvakantie!

Stel je voor: jij heet Jan-Henk en je vrouw heet Rietje (ruilen mag natuurlijk, afhankelijk van de sekse, dus dan heet jij Rietje en je vent Jan-Henk). Jullie hebben ook een hond: een teefje met de naam RieJa. Inderdaad, van Rietje en Jan… Hoe dan ook, jullie stappen in Holland rond de klok van negen uur in de auto. Dat had acht uur moeten zijn, maar je weet net hoe dat gaat: paspoort van de hond zoek, vergeten de koelelementen koud te leggen en – andersom – verzuimd de boter uit de koeling te halen, zodat je de boterhammetjes niet makkelijk kunt smeren. Want natuurlijk gaan er bammetjes mee in de auto. Net als aardappels (er gaat niets boven bintjes), Hollandse kaas, spek en stroop voor de pannenkoeken, witte bonen in tomatensaus, acht pakken halfvolle melk, champignonsoep van Honig en een flesje wijn van Appie Heijn: rosé van Ilja Gort. En dan doe je net je gordel om, staat de tas met Libelles nog in de gang! Terwijl de Dacia Logan al tot het dak is gevuld en de twee Gazelles achterop onwrikbaar zijn vastgesnoerd…

Tegen kwart voor tien gaan jullie dan toch op weg. Richting Luxemburg, waar goedkoop getankt zal worden, om daarna via Metz, Nancy en Dijon richting het zuiden te rijden. Ahhh, Bourgondië, met je rijke gastronomie, here we come!!!

De eerste file staat voor Antwerpen. En dan niet een beetje voor Antwerpen, maar héél ver voor Antwerpen. ‘Geeft niets paps’, zegt je Rietje, ‘we hebben vakantie, toch?’ en ze peuzelt haar laatste boterham met pindakaas en hagelslag op. Met weer een uur vertraging koersen jullie nu aan op Brussel en van daar gaat het naar Namen. Bij het eerste tankstation in Luxemburg staan lange rijen auto’s te wachten voor elke pomp. ‘Moet je nagaan, paps’, zegt Rietje, ‘wat een Knierten dat allemaal zijn. Gaan een beetje uren in de rij staan om lekker goedkoop te tanken?!?’ Jij besluit om door te rijden naar de tweede Luxemburgse pomp, waar het een stuk rustiger zal zijn. Klopt, want dat benzinestation is gesloten wegens werkzaamheden…

Omdat Rietje bij het eerstvolgende Franse tankstation nog wat broodjes wil inslaan voor de verdere reis én doordat de brandstofprijs hier bijkans tweemaal zo hoog is als begroot, is er al een aardige bres geslagen in het vakantiegeld. ‘Niet getreurd, paps’ , zegt je Rietje, ‘want we hebben genoeg eten bij ons.’ RieJa is blij dat ze naar buiten mag, ook al heeft ze inmiddels op haar kleedje op de achterbank geplast. ‘Ongelukje hoort erbij’, zegt Rietje opgewekt.

Tegen halfacht komen jullie tenslotte aan op je vakantiebestemming. Leuk oud huis, dat vast wel generaties in handen van één Franse familie zal zijn geweest. En helemaal in de oorspronkelijke staat, zoals makelaars dat zeggen. Sinds kort is de woning gelukkig eigendom van een stel Nederlanders, want om nou meteen ook Frans te moeten praten…? De ontvangst door Bram, die zichzelf steevast ‘jullie herbergvader’ noemt, is hartelijk. Hij neemt de sleutel ter hand en gaat jullie voor het vakantiehuisje binnen, dat hij nadrukkelijk ‘onze gîte’ noemt. Binnen is het kil en vochtig. Bram – die een ringetje door zijn rechteroorlel heeft – zegt dat-ie niet zeker wist of we wel stookhout wilden afnemen, en dat-ie dus de kachel maar niet heeft aangemaakt. Gelukkig wil hij wel even voordoen hoe dat moet, die kachel aanmaken. ‘Dat komt helemaal goed’, zegt Bram. Als hij het deurtje ervan opendoet, vliegen er allemaal wespen naar buiten. ‘Een nest in de schoorsteen’, stelt Bram kundig vast. ‘Daar moeten we na het weekeinde dan maar eens naar kijken. Dat komt helemaal goed.’ Maar eerst zal hij het welkomstmaaltje halen. ‘Laden jullie ondertussen de auto maar uit en maak het gezellig voor jezelf.’ Een half uur later komt Bram – oorringetje nog steeds in – met een stokbrood en een aangebroken pakje Boursin aanzetten. ‘Du pain, du vin et du Boursin’, grapt hij nog. ‘Ik zag dat jullie zelf een wijntje meehebben hè? Dat komt helemaal goed.’ Als Oorringetje weg is, open je de fles van Appie/Ilja. Die heeft kurk. Maar dat proef je gelukkig niet.

Om een uur of vier word je wakker van hondengeblaf. In het pikkedonker (het lichtknopje is zoek) strompel je naar beneden om te kijken wat er aan de hand is met RieJa, maar die ligt hard te snurken op haar omgekeerde kleedje. Als je terug in bed stapt is Rietje inmiddels ook wakker. ‘Er blaft een hond, paps’, zegt ze. ‘Ja, dat heb ik ook gehoord’, mompel je, klaarwakker nu. ‘Ach, dit is het platteland hè’, zegt Rietje en ze draait zich om en snurkt weer verder.

‘Dat slaapt lekker hè, op het platteland!’, roept Oorringetje zodra hij je de voordeur van ‘onze gîte’ uit ziet stappen. ‘Je zult zien dat jullie je na een week herboren voelen. Dat komt helemaal goed’, voorspelt hij. Rietje stapt ook naar buiten, met het kleedje van RieJa druipend voor zich uit. ‘Ongelukje hoort erbij’, zegt ze blijmoedig. RieJa zelf scharrelt – neus in het gras – door het piepkleine tuintje. En gaat zitten poepen…

De bakker zit op zo’n tien minuutjes rijden, heeft ‘jullie herbergvader’ gezegd. ‘Voor het huis langs tot aan de kruising, daar linksaf en na 250 meter weer rechts. Dan een bruggetje over en meteen weer rechts, om aan het einde van de weg linksaf te slaan. Je komt nu in een dorpje, dat je helemaal doorrijdt. Na 400 meter… en zo voort en zo verder. Als je na ruim een uur weer terug bent (de bakker heb je nooit gevonden, maar wel een supermarkt waar ze afbakbroodjes verkopen), blijkt dat de oven in ‘onze gîte’ het niet doet.

Tegen twaalven is het tijd voor een fietstochtje. Die Gazelles zijn immers niet voor niets achterop de Dacia Logan gegaan. Alleen… De fiets van Rietje staat op slot. Of ze ook weet waar ze het sleuteltje heeft, vraag je nog. ‘Ja, in het laatje van mijn kaptafel’, zegt ze. ‘Maar geeft niks hoor, paps. Ga jij maar lekker fietsen, ik heb mijn Libelles!’ Als Bram je ziet tobben met die fiets-op-slot, schiet hij te hulp. ‘Wacht, ik slijp het slot wel even open’, zegt hij met een technisch gezicht. ‘Dat komt helemaal goed.’ Als hij zo’n vijf minuten in de weer is met zijn haakse slijptol (‘ANWB-slot hè’), schiet hij uit met het apparaat en slaat de tol vast in spaken, velg en achterband.

Alléén op de pedalen dus, om de regio te verkennen. Een erg grote regio wordt dat niet, want de heuvels hier zijn behoorlijke kuitenbijters en met maar drie versnellingen op je Gazelle wordt er meer gelopen dan gefietst. In gedachten hoor je Rietje zeggen: ‘Geeft niks hoor paps, als je maar lekker buiten bent!’ Even later begint het te regenen.

Maandagochtend, zeven uur. Diezelfde hond blaft nu al uren achtereen, dus je gaat je bed maar uit. Oorringetje is reeds op het erf in de weer, gestoken in blauwe overall, sokken over de pijpen, handschoenen aan en een helm van gaas onder de arm. ‘We zullen dat wespennest eens even killen’, roept hij strijdlustig, waarbij hij zijn woorden onderstreept door met een enorme spuitbus te zwaaien. Nieuwsgierig volg je hem naar binnen, waar hij neerknielt voor de kachel. Als hij zijn helm opzet weet hij het zeker: ‘Mij kunnen ze niet te pakken nemen. Dat komt helemaal goed’, en hij opent de deur van de kachel. Een wolk wespen – eindelijk bevrijd – giert naar buiten, om Bram heen, rechtstreeks naar jou. Drie kwartier later staat Rietje je in te smeren met een of andere bruine kleefzalf waar Oorringetje (‘Dat komt helemaal goed’) mee aan kwam zetten. Rietje zegt: ‘Hoef je geen zonnebrandolie op, paps. Dat scheelt weer!’ Je kijkt naar buiten en ziet dat het opnieuw begint te regenen.

Dus dan maar met de auto op pad vanmiddag, om wijn te gaan proeven in een dorpje verderop. Oorringetje zei dat-ie daar ‘een vriendje’ heeft, ‘waar je heerlijke Bourgognes kunt scoren’. Bij aankomst blijkt de cave (zoals een wijnkelder hier heet) nog dicht te zijn. Omdat het harder is gaan regenen, blijven jullie nog lekker even in de auto zitten. Rietje heeft broodjes klaargemaakt, omdat ‘de wijn anders misschien wel verkeerd valt’. De pindakaas met hagelslag kleeft nog de hele middag tussen je tanden, zodat je van de wijn niets proeft. Want het moet gezegd: de wijn vloeit rijkelijk deze middag. ‘Het vriendje’ van Oorringetje blijkt eveneens een Nederlander te zijn: Jaap, die kort geleden de cave met een deel van de inhoud overnam van een Franse wijnboer en de resterende wijn nu laat proeven en – vooral – verkoopt. Witte wijnen worden ontkurkt (‘deze wijngaard ligt tegen Meursault aan’) , rode wijnen worden ontkurkt (‘dit is een millesime van 2008’) en jij en Rietje drinken dapper door. Jaap suggereert nog om de wijn uit te spuwen in de daartoe van stal gehaalde emmer, maar als Rietje over zijn schoenen spuugt lijkt het verder veiliger om de boel maar in te slikken. Na veertien halve glazen vraag je nog of Jaap jullie rosé van Ilja Gort ook heeft. Jawel, maar die staat boven in de koelkast… Rietje, die bijna niet meer kan praten, wat overigens een hele geruststelling is, lispelt dat jullie beleefdheidshalve (‘bjeefheizhallevhe’) nog wel wat wijn bij Jaap moeten kopen. Vooruit, twee doosje dan maar, want Hollanders moeten elkaar wel de bal toespelen hè… Jaap komt met zijn rekenmachine en tikt 284 euro aan. Rietje kan zich er wel in vinden: ‘Dahhebjeookwaz…’. Als je klapwiekend het dorp van Oorringetje binnen zwiert, staan de gendarmes op de hoek van de straat. Rietje blijft monter onder de boete van 90 euro. ‘Dah maak zje daz ook uz mee…’

Bram heeft intussen niet stilgezeten: na het debacle van het fietsslot heeft-ie een tafeltje voor jullie gereserveerd bij ‘een vriendje’ van hem met ‘een restaurant om de hoek’. Dat ‘om de hoek’ is rekbaar want al gauw twintig minuten rijden, maar de ontvangst is er niet minder enthousiast om. Fred, de Hollandse eigenaar, legt uit dat-ie zelf helaas in de keuken staat, maar dat François, ‘Fransman in hart en lever (knipoog)’ de bediening voor zijn rekening neemt. Gerustgesteld over zoveel medewerking, neem je je voor om de bloemetjes eens extra buiten te zetten vanavond. Oorringetje betaalt immers?!? ‘Maar laten we dan maar geen glaasje vooraf nemen’, zegt Rietje bescheiden, ‘want we moeten Bram ook niet te veel op kosten jagen.’

Samen bestudeer je de kaart, waarvan de ‘escargots’ als voorgerecht en de ‘dame blanche’ als toet je in ieder geval bekend voorkomen. Nog ietwat tipsie van die proeverij stel je vast dat het hoofdgerecht toch vooral echt Frans moet worden. De keuze valt op ‘andouillette’, omdat dat zo heerlijk poëtisch klinkt. Ober François glimlacht goedkeurend, stel je vast.

Als het gevraagde entree ter tafel komt, begin je te kokhalzen. ‘Kom kom, paps’, stelt Rietje je gerust, ’misschien zitten er helemaal geen slakken in die schelpjes, maar iets vegetarisch of zo…’ De escargots blijven verder onaangeroerd. ‘Helemaal niet erg, want des te beter zal het hoofdgerecht straks smaken’, montert Rietje op. De ober glimlacht nog altijd als hij de andouillettes serveert. De weeë geur van ingewanden slaat Rietje en jou in het gezicht. Geen hap, maar dan ook geen hap wordt er genomen.

De dame blanche, kant en klaar uit de vrieskist, is nog stijf bevroren en kan de tot onder het nulpunt gedaalde sfeer dus niet ontdooien. ‘Ach, een gegeven paard’, oppert Rietje. Het is chef-kok Fred zelf die afrekent. ‘Het drankje vooraf werd jullie aangeboden door Bram, maar ik zie dat jullie geen aperitief hebben genomen. Dan blijft er 94 euro over…’

De volgende ochtend, die rothond van verderop blaft nog steeds, komt Oorringetje met een grote, bloederige plastic zak aanzetten. Hij kwam nog een paar pond rauwe lever tegen in de vriezer en of dat iets is voor RieJa. Dus RieJa krijgt rauwe lever voor het ontbijt. En opnieuw voor het avondeten. ‘Een mooi afscheid van de vakantie’, zegt Bram. ‘Dat komt helemaal goed’, mompel je in jezelf.

De volgende ochtend is het stil  rond ‘onze gîte’. Geen geblaf, niks. Oorringetje, al weer vroeg uit de veren, snuift de ochtendlucht op en vindt het ‘heerlijk zo, na al die regen’. ‘En vond de hond de lever lekker?’, wil hij weten. ‘Ik heb de buurhond gisteravond ook een lap gegeven en die is er stil van!’

Onderweg naar huis wordt RieJa onrustig. Eindeloos draaien op haar kleedje en zachtjes janken. Dus maar even gestopt, waarna de diarree in golven uit haar stroomt en aan haar lange vacht blijft hangen. Zes keer moeten jullie stoppen op de terugreis en de Dacia Logan ruikt naar een slachthuis.

Als je thuis de oprit op rijdt, heeft Rieja toch nog op haar kleedje gescheten. Eenmaal binnen wordt er gebeld. Oorringetje aan de lijn. Of jullie het ook zo heerlijk vonden in ‘onze gîte’. Jij denkt het en Rietje zegt het: ‘Volgende keer maar weer gewoon naar Bellevue.’