De hommel

Een hommel heeft per twee uur vliegen tot wel 60 procent van zijn eigen lichaamsgewicht aan stuifmeel nodig om in leven te blijven. Even los van het vliegen, geldt zulks voor mij ook zo’n beetje.

Maar dat is niet de enige reden dat ik soms liever een bourdon (zoals zo’n vliegende tank heet in het Frans) zou zijn. Want dat zorgeloos zoemen van sering naar sering, van roos naar roos en – vooral – van druif naar druif, dat moet toch heerlijk zijn. En maar stuifmeel verzamelen en daar dan honing van maken. Honing die je kunt laten vergisten tot mede, de godendrank die Odin inblies met wijsheid en kennis. Hoe mooi kan het leven zijn?!?

Maar het is als in ‘Verdronken vlinder’ van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot: vliegen is voor ons mensenkinderen niet weggelegd. In ieder geval niet voor ons hier op Bellevue, want – even los van mijn honderd kilo getraind vlees – er wacht altijd wel werk. Dat we, zeker in deze tijden van quarantaine, graag aanpakken. Kozijnen en ramen worden geschilderd, de roze banden die Bellevue zo kenmerken verfrist, kelders opgeruimd en schuren schoon geschrobd. Hout wordt gezaagd, grind verplaatst en gras gezaaid. Er wordt gesnoeid, gespit en geharkt dat het een lieve lust is.

De belangrijkste wapenfeiten van de achterliggende twee weken zijn het inrichten van één van onze caves als locatie voor toekomstige wijnproeverijen (waarover meer in een volgende blog) én het schilderen van de vloer van de ‘cuistro’, onze cuisine annex bistro.

Die laatste klus was een monnikenwerk: alles leeghalen, oude verflagen (vaal geel, fuchsia en drie kleuren grijs) opschuren, zuigen, soppen en een eerste laag wit erop. Tot dan valt het mee. Eenmaal droog volgen de meer secure werkjes: kaarsrechte lijnen trekken (daar ben ik goed in, lijntrekken) en dan eindeloos vierkanten afplakken met tape. Binnen die vierkanten komt de zwarte verf die het geheel plotsklaps omtovert tot een tegelvloer. Een damier – Frans voor dambord – met op de kop af 210 velden, waarvan Ton Sijbrands in zijn wildste dromen nog geen benul heeft. Dan het tape weghalen, de witte ‘tegels’ hier en daar opnieuw doen omdat de verf aan de Tesacrèpe is blijven plakken en dan uiteraard vol in zo’n verse laag stappen. Als de schoenzolen weer schoon zijn, volgt het laatste hoofdstuk: het aanbrengen van een licht gekleurde laklaag, die de vloer een oud patine moet geven. Daarna weer drogen, de boel herinrichten en we zijn twee weken verder.

Waarom vertel ik dit allemaal? Omdat we ons soms afvragen voor wie we zo’n klus eigenlijk doen? Dat we ooit weer gasten krijgen staat voor ons vast. Maar komen we dan weer samen in de cuistro? Of houdt ‘het nieuwe normaal’ van Mark Rutte ons straks op afstand? Iedereen in zijn eigen Maison Bellevue of Marrakech, Maison Perdue of Versailles? Niet langer aan tafel samen, want te dicht op elkaar? Niet meer eten en drinken, lachen, sjoelen, dansen? Want hoe die je dat, anderhalve meter uit elkaar?

En juist die saamhorigheid maakt Bellevue tot wat het is: een plek om vriendschap te sluiten en tegelijkertijd op jezelf te kunnen zijn. Zijn we dan als paarden die ploegen op een veld dat voor altijd braak ligt? Zijn we als vogels die een nest bouwen dat eeuwig leeg blijft? Zijn we als werkbijen die hun koningin kwijt zijn?

Dus nogmaals: voor wie doen we het eigenlijk allemaal? Het antwoord is simpel. Voor onszelf. Want hoe mooier Bellevue wordt, hoe meer plezier we daar zelf aan beleven. Omdat het oog gestreeld wil worden. Omdat we de passie door ons lijf willen voelen stromen. Omdat we na 22 jaren in dit leven nog altijd verliefd zijn op ons eigen bescheiden landgoed, ónze koningin. Kom daar als bourdon maar eens om. Kloothommel…