Willen wat je kunt

Mijn oude, wijze vader zei het vaak, aan het einde van zijn dagen: ‘Als je niet meer kunt wat je wilt, moet je willen wat je nog kunt’. Er is veel dat niet meer kan, in deze bange dagen. We maken geen praatjes in het dorp, maken geen ritjes door het groen, maken geen nieuwe vrienden in verre restaurants. We zijn, net als de kippen ooit, tijdens de vogelpest, opgehokt.

Nu is opgehokt zijn op het erf van Bellevue geen straf. Er is altijd veel te doen, al zijn die bezigheden normaal gesproken vooral gericht op het geluk van onze gasten: huizen kuisen, bloemen schikken, glazen vullen en – Elly dan hè – de sterren van de hemel koken. Dat alles ligt nu stil. Nu ja, de glazen worden nog wel gevuld en we genieten van simpele maaltjes waarvoor de inkopen beneden bij Veronique zijn gedaan.

Veronique bij wie de schappen langzaamaan leeg raken, om de bevoorrading van de grote supermarkten voor gaat. Veronique die ervoor waakt dat er meer dan drie klanten tegelijk in haar buurtsuper zijn. Veronique die zich tegen kwade dampen wapent door een dubbele rij zwarte plastic kratten voor de toonbank te zetten, zodat je wel de minimale afstand van één meter móet bewaren. Want verder reikt het leven niet, dezer dagen.

 

 

Aan huis gekluisterd zijn geeft ons zeeën van tijd. Om bomen om te zagen, hout te kloven en met takken te slepen. Om het landschap te modelleren, te graven, te zaaien en te harken. Om bloemen te planten en onszelf zo te omringen met kleur en fleur. Om vuren te branden om ons aan te warmen. Vuren te branden om ons te verlichten. Vreugdevuren zijn het, omdat we nog gezond zijn.

Want dat kunnen we allemaal wél. We kunnen – glas wijn in de hand – een half uur naar onze twee nieuwe kipjes kijken (Sien en Winnetou, omdat die haar kontveren als een tooi naar boven draagt), die Pien, de oude hen die al jaren op Bellevue woont, inblazen met nieuwe energie. Misschien gaat ze nog weer leggen, want dat kan ook.

We zien de kostelijke grappen voorbij komen op de iPhone, we zien filmpjes die de kinderen van onze gasten maken voor de juf en ook opsturen naar Elly, want Elly is tijdens hun vakanties ook een beetje de juf. We lezen mooie verhalen over de lente die van niets weet, over hoe het ik-tijdperk opeens lijkt te veranderen in ‘wij-weken’ en we koesteren de gedachte dat dit idee van Alle Mensen werden Brüder ooit, wanneer alles weer normaal is, zo blijft.

Zo willen we wat we nog kunnen, zoals mij vader zei. Maken we onze illusies en onze dromen. Maken we herinneringen aan hoe de tijd stil stond en aan hoeveel klein geluk dat kan schenken. En over schenken gesproken: proost dan maar weer. Op ons aller gezondheid…