De heks en de glazen stolp

De oude heks Kee, vierhonderd jaar inmiddels, boog zich over de doos die voor haar op tafel stond. Haar lange, zwarte, gebroken nagels klauwden aan het rafelige touw dat de boel bij elkaar hield. Het was een kerstpakket…

Want ook heksen hebben recht op zulks, volgens de vakbond SVDB (Sabbat van de Bezemsteel). Oh, wat was ze nieuwsgierig; haar neus kriebelde ervan! Maar zie maar eens aan diezelfde neus te peuteren, met zulke nagels. Haar zwarte kat, met grijze snorharen van ouderdom, zat naast Kee en was al net zo opgetogen. Vind je het gek, na een eeuw wachten. Honderd jaar geleden was het kerstpakket de opmaat voor een wereldwijde ramp, waarbij de Spaanse Griep liefst vijftig miljoen levens eiste. En een eeuw dáárvoor was het cholera en daarvoor weer de pest. Dus die ouwe Kee verkneukelde zich op wat zij nu weer zou bedenken…

Uiteindelijk brandde zij het koord rond het kerstpakket door met een kooltje uit haar immer smeulend haardvuur, waarboven de pan met gruwelen zachtjes borrelde. Ze vouwde met haar kromme handen de flappen van de doos opzij, duwde de kat – die als eerste zijn kop naar binnen stak – van tafel en boog zich voorover. Er was wijn en er was kaas, er was paté en er was brood. En… er was een glazen stolp, die door de plotselinge wisseling van temperatuur zó beslagen was, dat ze met haar oude ogen onmogelijk kon zien wat zich onder het glas bevond.

De heks Kee stond krakend op, nam de stolp uit de doos en plaatste hem naast het haardvuur. Daarna pakte zij de andere spulletjes uit. De rode wijn van jaren her, de korrelige paté van lever, de oude, gebarsten kaas en het harde bruine brood. Onder haar overrokken en stinkende schort zocht ze haar mes. De scherpe punt ervan stak zij in de kurk van de fles en ze wrikte net zolang tot het mes er diep genoeg in zat. Voorzichtig draaide ze nu het heft, waarbij het lemmet gevaarlijk boog. Maar nee, dit mes kon niet stuk. Ze doodde er de ratten mee voor in de gruwel. Ze vilde er de konijnen mee voor in haar maag. En ze draaide er de kurk voorzichtig mee rond in de hals van de fles, onderwijl trekkend, zodat-ie langzaam maar zeker omhoog kwam.

Kee zong: ‘Ik ben met Catootje naar de botermarkt gegaan, ze kon maken wat ze wou…’ Ze pakte de paté en plukte er kleine stukjes van. Tussen haar kleverige duim en wijsvinger kneedde ze er kleine poppetjes van. Poppetjes met een leverkleurig en ziekelijk ogend lijfje, alsof ze bij de schepping reeds ten dode waren opgeschreven. ‘Ze kon maken wat ze wou, ze kon maken wat zij wou…’

Kee nam de kaas in haar gerimpelde handen. Andermaal brak ze er brokjes af en rolde die tot balletjes. Balletjes die weer andere figuurtjes werden, maar nu geel en grauw, als voor het sterven.

‘En ze maakte van boter een…’ Nee, Kee maakte geen lichtmatroos en Kee maakte geen keukenmeid en Kee maakte al helemaal geen dominee! Nee, Kee maakte een leger van kleine doodzieke wezens, die hun ziekte doorgaven aan iedereen die in de buurt kwam. Het brood brokkelde ze tot een landschap van bergen en wallen en aarde over haar tafel, en ze prevelde toverspreuken, waardoor het giftig werd. De wijn goot zij er in plassen en stromen tussen, zodat meren en rivieren ontstonden. En weer brabbelde ze haar toverkollenpraat en de wijn werd wrang en ziekmakend.

De kat sloop rond deze vreemde nieuwe wereld als… nou ja, als een kat in een vreemd pakhuis. Hij snoof eraan en siste en histe en deinsde terug van pure angst voor het intense kwaad. De heks Kee keek naar haar creatie en zag dat het goed was. Nou ja, nog niet helemaal, want haar wereld was nog niet bewoond. Dus plaatste zij met engelengeduld – als je in geval van heksen van engelengeduld mag spreken – de geboetseerde poppetjes, de zieke zielen van kaas en lever, in het landschap op haar tafel, zodat haar eigen tegenparadijs, haar eigen Hof van Kwaad, tot leven kwam.

En nu kwam dan de bekroning van haar schepping: de stolp. De heks Kee schuifelde naar het haardvuur, waarnaast het pronkstuk stond. Haar oude ogen vernauwden zich toen ze door het glas naar de inhoud tuurde. Ze pakte de glazen koepel met bodem en al op, sloop ermee naar de tafel en plaatste hem midden tussen de bergen en rivieren, tussen de zieke zielen, in het hart van haar hel. Kee ging zitten en keek. Onder de glazen stolp bevond zich ook een eigen wereld. Of liever, een wereldje, want wat ze zag was niet veel meer dan een klein dorp, met wat huisjes en boerderijtjes, met een piepkleine kroeg, een leegstaande kerk, een smidse, een bakkerij en her en der plukjes struiken en bomen. Maar van bewoners geen sprake. Of toch? Hoe langer Kee keek, stil op haar stoel, zonder ook maar een neushaar te verroeren, hoe meer leven er kwam. Uit de schoorstenen van de huisjes kringelde nu rook omhoog, biggetjes en koetjes en kalfjes kwamen uit hun stallen gelopen en uiteindelijk zag zij de eerste mens: Daniël, die uit het café kwam waggelen, in zijn automobiel stapte en sputterend wegreed.

Het zullen uren zijn geweest of misschien wel dagen en de heks Kee zat daar maar en keek en keek en zij zag hoe het kleine dorp tenslotte bruiste van energie. Honden renden door de straatjes, katten maakte zich uit de voeten, boeren sleepten met hooi en melkmeiden met melk. De bakker bakte zijn broden en stalde ze uit voor zijn winkeltje, de burgemeester-verkleed-als-de-kerstman, riep ho-ho-ho! en klopte zichzelf op de buik. De dominee – ‘ah, een dominee van Catootje’, siste Kee – dommelde en Daniël bezocht de kroeg en klapwiekte weer naar buiten. Hup, in de armen van de veldwachter. Weg rijbewijs, weg automobiel…

Na een pakweg een maand – dat is in een heksenleven niet meer dan een dag of vier; reken maar even mee: een heks leeft gemiddeld 624 jaar, tegen zo’n 79 jaren voor een mens. Dan moet je 624 dus delen door 79, wat 7,899 oplevert (eigenlijk 7,89873418, maar dat ronden we gemakshalve af). Die maand in gewone mensentijd, moet je dan dus delen door 7,899 en dan kom je, uitgaande van dertig dagen gemiddeld, uit op 3,8 etmalen, ook weer afgerond – nu ja, na die maand dus, wist de heks Kee genoeg. Haar hand reikte naar de stolp, haar gekloofde klauwen omsloten de glazen dop ervan en langzaam hief zij haar arm, terwijl het leger van zieke zielen (er waren er al heel wat overleden, maar er bleven er ook nog heel wat over), enthousiast over dit verzetje, rondom de glazen koepel dromde. Het gerimpelde gezicht van Kee verstrakte. Want de stolp zat vast aan de bodem! Ze tilde nogmaals, maar nam alleen maar het hele gevaarte mee omhoog, doordat alles hermetisch gesloten bleef. Ze wrikte en ze tikte, ze schoof en ze schuurde, maar er was geen beweging in te krijgen. Nou ja, behalve dan de beweging ónder de stolp, want iedereen vluchtte de huizen in en de stallen in en de kroeg in en de bakkerij in. Alleen de kerk bleef leeg, dat was dan wel weer opmerkelijk…

De heks Kee wachtte. Want als heksen nu ergens goed in zijn, net als katten, dan is het in geduld oefenen. Dus hervatte het leven onder de stolp zich. De bakker bakte, de melkmeid molk, de smid smeedde, de dominee dommelde en Daniël ging naar de kroeg. Op zijn grasmaaier nu, want met de automobiel, dat mocht niet meer van de veldwachter. Maar ook buiten de stolp ging het leven door. Of eigenlijk: de dood ging door, want de rivieren vergiftigden de zieke zielen, de aarde van bedorven brood verzuurde de lucht en de één na de ander strekte de kuiten, streek het vaantje, gaf de pijp aan Maarten, kreeg een tuintje op zijn buik of eindigde anderszins tussen zes planken.

Toen werd het kerst (de kerstpakketten moeten volgens de SVDB al in november worden bezorgd om de heksen wat tijd te geven hun rampspoed te bekokstoven, dus chronologisch klopt het allemaal nog). En het begon te sneeuwen. Niet alleen binnen de stolp (geen idee waar die sneeuw dan vandaan kwam, maar met Kerstmis gebeuren altijd de meest ongeloofwaardige dingen), doch ook erbuiten. En het duurde een etmaal lang, zodat alles werd bedekt met een dikke laag wit. De bomen en de huisjes, de kerk en de kroeg, maar ook de bergen buiten en de aarde waarin de zieke zielen rustten. Het werd kouder en kouder en de giftige rivieren bevroren en het haardvuur van Kee doofde doordat de sneeuw de schoorsteen verstopte en de kat naast de haard bevroor en de heks verstilde en verkilde en verstilde en viel in een lange, diepe slaap, die wel een eeuw zou duren.

En het dorpje onder de stolp? De burgemeester, nog altijd in zijn kerst-outfit (ho-ho-ho!) was de eerste die naar buiten kwam. Hij klopte zich op zijn buik en stapte door de sneeuw naar de veldwachter. Of ze niet eens wat sneeuw moesten gaan ruimen en of de veldwachter dat niet kon organiseren. Waarop die roepend door de straten ging en iedereen kwam de huizen uit en de stallen uit en het was een drukte van jewelste. Iedereen hielp elkaar en het was sneeuwschuivers troef in het dorp. Want eendracht maakt macht en teamwork makes the dream worken l’union fait la force et l’onion fait la soupe! Zelfs Daniël had een schuiver voorop zijn grasmaaier gebonden. De sneeuw werd allemaal naar één kant van de stolp geschoven, waardoor het glas ervan zó koud werd dat de barsten erin sprongen. En de smid kwam met zijn hamer en sloeg er gaten in en de boer kwam met zijn hooivork en wrikte de barsten open en de melkmeid molk en de bakker bakte en burgemeester buikte en de dominee dommelde en Daniël dronk.

Uiteindelijk kon het hele volkje naar buiten toe. De bergen, wit als de Maagd Maria, konden geen kwaad meer. De rivieren, hard als het hout van Jozef, lagen er gladjes bij. En iedereen feestte en iedereen danste. Iedereen wenste elkaar een vrolijke kerst en een gelukkig nieuwjaar en iedereen (zelfs de veldwachter) mocht een rondje op de grasmaaier van Daniël.

En de kat sliep. En de heks Kee sliep. Voor minstens honderd jaar.

De moraal van dit verhaal? Dat iedereen maar veilig naar de stolp van Bellevue moet komen. Dan ben ik de burgemeester…