Thuisproeverij in de kelderkast

Zo, de kop is eraf. De goede voornemens zijn alweer van de baan (ik moet van mijn kater af, dus ik neem toch effe een biertje/het schijnt niet gezond te zijn om opeens te stoppen met roken/zonde toch om die gevulde eieren van gisteren weg te gooien?), dus dat is overzichtelijk.

Toch is er een goed voornemen dat zou moeten beklijven. Het gezegde luidt immers: ‘Het leven is te kort om slechte wijn te drinken’, dus houdt het nu gewoon een jaartje vol om knappe flessen in te slaan… Het beste ontdek je die bij een reeks kleine wijnboertjes in Bourgondië. Maar nu een  cave bezoeken lastig blijkt – de vaten zelf zijn de enige die er straffeloos ademen – is het slim om thuis wat flessen open te trekken en aan het proeven te slaan.

Het succes van een proeverij hangt voor een belangrijk deel af van de sfeer. Bij een wijnboer is die al gauw puik: je staat in een eeuwenoude kelder, waar de geuren van paddenstoelen en schrale wijn zich vermengen. De verlichting is schaars (wijn kan slecht tegen licht), de gastheer heeft een petje op en onder zijn nagels zit de aarde van de wijngaard. Tenminste, dat hoop je…

Het is dus zaak thuis ook een dergelijke ambiance te organiseren. Nu zijn er in drassig Nederland maar weinig huizen die over een eigen, ondergrondse wijnkelder beschikken. Probeer dan de kelderkast sfeervol te maken. Vervang daartoe de mondvoorraad die er staat opgeslagen door witte en rode wijnen, steek twee waxinelichtjes aan en ga op een stoel in de deuropening zitten. Oh ja, je nagels zijn door al dit gedoe waarschijnlijk al zwart, maar je moet nog wel een oud petje op zetten.

En dan nu het proeven zelf. Hopelijk heb je zes knappe flessen gevonden: drie witte en drie rode. Meer mag natuurlijk ook en is zelfs aan te raden – je hoeft immers niet naar huis te rijden. Maak de rode flessen vast open, zodat ze kunnen ademen. Laat ze verder, voor dit moment althans, ongemoeid.

Open hierna de fles witte wijn waarvan je verwacht dat-ie de minste smaak heeft. Meestal is dat ook de goedkoopste wijn, dus da’s makkelijk. Neem een glas waar je neus makkelijk in kan, want het ruiken van de wijn is de helft van het werk. Vul het nu voor de helft met de eerste witte en wals het glas. En niet knoeien hè! Je houdt het glas vervolgens tegen het licht, om de kleur van het vocht te bekijken. Die kan bleek zijn of juist behoorlijk geel, wat allemaal niet zoveel zegt over de smaak.

Steek nu je neus in het glas, snuffel zachtjes (niet snuiven) en probeer te omschrijven wat je ruikt. Venkel? Toast? Gras? Allemaal geuren die bij Bourgondische witte passen. Tijd thans voor een eerste slok. En nu komt het moeilijkste van de hele proeverij: je houdt de wijn in je mond, opent je lippen een beetje (ik zeg net: niet knoeien!) en zuigt lucht óver de wijn op je tong naar binnen. Zo komt er dus zuurstof bij, die de smaak ervan vrij geeft. Als je dit huzarenstuk hebt geklaard, mag je de wijn doorslikken. Drink je glas leeg om zeker te zijn van je zaak en herhaal het hele kunstje met de resterende witte wijnen.

De bodem is nu gelegd en het wordt tijd om aan te vallen op de flessen rood. Maar eerst moet het glas omgespoeld. Dat kan met water, maar zo hoort het niet. Nee, je offert een klein slokje rood op om je glas mee schoon te walsen. Dat beetje drink je niet op, maar gooi je achteloos op de keldervloer. Want zo doet de wijnboer dat ook. Schenk vervolgens je eerste glas rood in en wals weer om er zuurstof bij te brengen. Houd je glas weer tegen het licht om de kleur te bekijken. Die vertelt je in dit geval wél iets: is de wijn paarsig van toon, dan is-ie nog jong, is de tint warm rood dan mag je uitgaan van een leeftijd van pakweg vijf jaar en verschuift de kleur naar bruinig, dan zal de wijn acht tot twaalf jaar oud zijn. Je kunt trouwens ook gewoon op het etiket van de fles kijken. Het proeven zelf gaat verder op dezelfde wijze als bij de witte wijnen.

Wat doe je nu met je opgedane kennis? Nou, je wilt natuurlijk zeker zijn van je oordeel, dus proef je nog eens goed door. Vond je het eerste glas wit lekker? Neem dan eerst een slok van de laatste en mogelijk duurste witte wijn en proef daarna onmiddellijk die eerste nog een keer. Waarschijnlijk smaakt-ie nu vlak en is er geen lange afdronk. Die valt dus af. Proef zo alle wijnen tegen elkaar en zet de flessen die je niet lekker meer vindt terzijde. Uiteindelijk zullen er zo’n vier wijnen overblijven, die je favorieten zijn. Drink die op. Je petje staat inmiddels achterstevoren, de kelder ondersteboven en je proeft helemaal niets meer. Drink dan ook maar de resterende flessen op, sta op van je kruk, ga weer zitten en val kort in slaap. Als je wakker wordt – áls je nog wakker wordt – bedank je jezelf hartelijk voor de wijnproeverij. Probeer nog uit te maken welke je nu ook weer het lekkerst vond, wat niet lukt, en besluit om morgen weer zo’n proeverij te doen. Want dat goede voornemen blijft overeind hè. Het leven is immers te kort om slechte wijn te drinken…

Dit verhaal stond – in grote lijnen – eerder in Bourgondische Zaken, het enige magazine voor liefhebbers van de Bourgogne.

(Met dank aan onze wijnvrienden van JanotsBos in Meursault, voor het decor van dit verhaal…)