Uit de kast

Soms heb je een zetje nodig om uit de kast te komen. Uit de platenkast in dit geval. Want deze blog gaat over muziek.

Het was Gord Downie (1964-2017), de briljante zanger en tekstschrijver van de Canadese band The Tragically Hip, die dat zetje gaf. In de prachtige Netflix-documentaire Long Time Running, die de definitieve tour van de band een jaar voor het overlijden van Downie in beeld brengt, biecht Gord zijn ‘guilty pleasure’ op: hij is fan van de Beegees.

Nu ja, dat ben ik dus ook. Niet van de latere Beegees, met dat falset-gedoe van Barry Gibb, maar van de vroege muziek, die de groep in de jaren zestig maakte. Met hoogtepunten als Holiday, I’ve gotta get a message to you en I started a joke. Zo, dat is eruit…

Heeft het te maken met de stilte die de afgelopen drie maanden op Bellevue heerste? De stilte als van voor een storm, de stilte als voorafgaand aan een oorlog, de stilte die het einde lijkt aan te kondigen? In die stilte kijk je al gauw terug op je leven. Ga je terug in de tijd om te zien waar je nu staat.

Een van mijn eerste levendige herinneringen: 1968 en ik sta voor de spiegel van ons ouderlijk huis in Heemskerk, een pukkel uit te knijpen. Want jongens van twaalf, die krijgen pukkels. Tegelijkertijd zing ik mee met Words van de Beegees. Ik playback fonetisch, want jongens van twaalf spreken in die dagen nog geen Engels.

Destijds schaamde ik mij daar niet voor (ik bedoel voor die Beegees, niet voor mijn pukkels). Want waren er niet miljoenen fans van de band? Inclusief hectische taferelen à la de Beatles en de Stones? En waarom is het nu dan eigenlijk not done om fan te zijn van die broertjes Gibb? Immers, hun zang is prima, waarbij dat hoge, ijle stemgeluid wel genetisch bepaald lijkt, want dat hebben ze alledrie. Met de muziek is al evenmin iets mis, behalve misschien dat-ie vaak overgeproduceerd werd, met veel namaakviolen en koortjes. Je kunt je storen aan de kleding van de mannen, maar we hebben het hier wel over de hippie-tijd!

Is het dan toch dat mierzoete van de teksten? Inderdaad, ze winnen er geen Nobelprijs mee, maar we kunnen niet allemaal Bob Dylan zijn. Bovendien zitten er heus wel een paar juweeltjes tussen, die tekstueel prima blijken en zelfs invloedrijk zijn geweest.

Maar eerst terug naar het begin. De oudste clips van de Beegees die je op YouTube kunt vinden, dateren van de vroege jaren zestig, als de tweelingbroers Robin en Maurice nauwelijks tien jaar oud zijn en Barry slechts 14 is. Het zijn tv-optredens met eigen nummers, maar ook met een aandoenlijke cover uit 1963 van Blowing in the wind van diezelfde Dylan. Behalve die stemmen, blijkt er nóg iets genetisch bepaald bij de broers: hun beroerde gebit. Mijn hemel wat een fietsenrekken hebben ze in die tijd nog! Barry is de eerste die zijn zakgeld (of eigenlijk: een zak geld) naar de tandarts brengt, want in bijvoorbeeld New York mining disaster 1941 is het fietsenrek vervangen door een té nette rij parelwitte tanden.

Overigens kent dat laatste nummer nu zo’n knappe tekst. Het wordt in 1967 geschreven door Barry en Robin, terwijl ze na een stroomuitval in de New Yorkse studio van Polydor Records, in het donker op de trap zitten. Naast die trap loopt de liftschacht en de geluiden van de mensen die daarin opgesloten zijn, inspireren beide broertjes tot een song over twee mannen in een ingestorte mijn: de ik-persoon en Mr. Jones. In het derde couplet vertraagt de muziek, als om aan te geven dat de zuurstof opraakt en het einde nadert.

Saillant detail is dat het nummer een hit werd doordat iedereen dacht dat het een Beatles-song was. Het management van de Beegees deed er erg geheimzinnig over (‘de naam van de Engelse band begint met een B en eindigt met een S’), zodat alle radio-dj’s ‘Mining disaster’ grijs draaiden. En zo kwam de single ook bij David Bowie op de pick up te liggen, die er in 1969 inspiratie in vond voor zijn wereldhit ‘Space Oddity’, waarin Major Tom – gelijk die mijnwerkers – zit opgesloten in zijn ‘tin can’.

Dat de Beegees in hun beginperiode als de Beatles klonken is overigens niet verwonderlijk. Rond 1962 zingen ze veel covers van de Fab Four. Later worden het eigen nummers, die nog steeds enorm zijn beïnvloed door de helden uit Liverpool. Luister naar het einde van Lonely days, waarin je Lennon hoort. Waag je ook eens aan Sir Geoffrey saved the world of kijk naar de officiële clip van Spicks & Specks, waarin de heren hun idolen schaamteloos nadoen. Maar wie was in die dagen eigenlijk niet beïnvloed door de Beatles…?

Tussen al die andere hits, zoals To love somebody, I can’t see nobody en Tomorrow tomorrow (dat aanvankelijk voor Joe Cocker werd geschreven), is er nog één kroonjuweel dat niet onvermeld mag blijven: First of May (genoemd naar de geboortedatum van Barry’s hond Barnaby!). De officiële videoclip op YouTube is van een ontroerende schoonheid. Je ziet Barry en Robin in hun jonge jaren spelen op straat, terwijl de tekst verhaalt van een jeugd die voorbij gaat. En het lied blijkt een self fulfilling prophesy: ‘The apple tree, that grew for you and me/I saw them apples falling one by one… In retrospectief voorspellen die twee zinnen het verloren geluk van de oudste broer Barry, die zijn broers als rijpe appels uit de boom ziet vallen. Andy, de jongste, sterft in 1988, net voordat hij als vierde lid aan de Beegees zal worden toegevoegd. Hij wordt slechts 30 jaar. Maurice strekt ook veel te vroeg de kuiten: 53 jaar jong is hij als-ie in 2003 overlijdt aan een hartstilstand. En nummer drie die uit de boom valt is Robin, die in 2012 sterft  aan kanker. Blijft over de oudste broer, Barry, met die onuitstaanbare falsetstem.

Maar goddank is er die muziek uit de jaren zestig nog. My guilty pleasure…