Where do you go to

Op Bellevue mogen we graag muziekavonden houden. Iedereen geeft zijn of haar favoriete nummer door aan de disc jockey, die dat dan via YouTube laat horen en zien. Zo komt elke maand wel een keer ‘Where do you go to (my lovely)’ voorbij, dat Peter Sarstedt in 1969 schreef.

Niet alleen omdat ik dat zelf het aller-, aller-, állermooiste nummer óóit vind, maar omdat ook anderen het aanvragen. En geen wonder: de muziek, met die Franse wals op de accordeon als intro, is heerlijk, de tekst vertelt het droevige verhaal van Marie-Claire en schetst bovendien een helder beeld van het mondaine Franse leven van de late jaren zestig. Voor de liefhebbers staat er een schitterende versie van het lied (met extra couplet) op YouTube, met de bloedstollend mooie Claudia Cardinale als Marie-Claire (https://www.youtube.com/watch?v=WstanvvTwLo&list=RDWstanvvTwLo&index=2).Eerst maar even luisteren dus, daarna laten we ook in woorden eens zien wat en wie er allemaal voorbij komen…

In de eerste zin al, praat Marie Claire als Marlène Dietrich. In een interview uit 1971 voor de Zweedse tv (https://www.youtube.com/watch?v=l99b0rz1RgM&t=523s) kun je het goed horen: de geboren Duitse (Berlijn 1901 – Parijs 1992) spreekt in prachtig Engels, met een wat slepende stem en in de verte het accent van haar moedertaal, een beetje zoals Nico van – ooit – The Velvet Underground.

Zo mag Marie-Claire dan praten, ze danst als Zizi Jeanmaire (1924-2020), een Franse danseres, die furore maakte als hoofdrolspeelster in de balletuitvoering van Bizets opera Carmen, die in 1949 in Londen in première ging. Voor die rol liet ze heur haar kort knippen, wat prompt de nieuwe mode werd. Zizi was overigens niet haar echte voornaam, want Jeanmaire heette Renée. Haar artiestennaam dankt zij aan haar moeder, die haar in d’r jeugd altijd ‘mon Jésus’ noemde, wat werd afgekort tot Zizi.

Het lied van Sarstedt gaat verder met de vaststelling dat alle kleding van Marie Claire is gemaakt door Balmain, het haute couture modehuis dat in 1945 werd opgericht door ontwerper Pierre Balmain (1914-1982). Zijn creaties waren scherp van snit en sober van kleur (zwart, groen, bruin), bedoeld voor energieke vrouwen. En energiek wáren Julliette Gréco en Brigitte Bardot, Simone Signoret en Vivien Leigh, Ava Gardner en Jane Fonda, Sophia Loren en Rita Hayworth, die zich voor uiteenlopende films allemaal lieten kleden door Balmain. Net als Marie-Claire dus…

Waar woont deze bijzondere vrouw dan? In een ‘fancy apartment’ aan de Boulevard Saint Michel in Parijs. Dat is niet zomaar een straatje, maar een van de brede allées van de Lichtstad, aangelegd door stadsontwerper Haussmann (1809-1891). Eind jaren zestig van de vorige eeuw was het al een chique buurt, nu betaal je er voor een ‘fancy apartment’ toch al gauw een kleine drie miljoen euro…

En wat doet Marie-Claire daar? Ze bewaart er haar collectie elpees van de Rolling Stones. Die keuze kan zijn ingegeven door het ritme van de verzen. Je hebt op die plek in het schema drie lettergrepen nodig, dus dan vallen de Beatles bijvoorbeeld al af. Vergelijk het met Jacques Brels Le Port d’Amsterdam; aanvankelijk wilde de grote troubadour een loflied maken op de haven van Anvers (Antwerpen), maar daarin kwam hij een lettergreep te kort. Amsterdam dus maar en de rest is geschiedenis. Toch denk ik dat Sarstedts keuze voor ‘them British bad boys’, zoals Bob Dylan de Stones liefkozend noemt, meer inhoudelijk is: MarieClaire is een rauwe meid, met een voorliefde voor rauwe muziek.

Ze is echter niet alleen een rocker, maar ze houdt ook van jazz, getuige het feit dat ze haar appartement met ‘een vriend van Sacha Distel (1933-2004)’ deelt. Distel was een succesvol zanger en jazzgitarist en een wijle de minnaar van Brigitte Bardot. Een hit scoorde Distel met Scoubidou (https://www.youtube.com/watch?v=NUDgGSje4Ew) dat overigens nooit had mogen worden uitgebracht…Maar wie is dan die vriend van Distel? Django Reinhardt, Henri Salvador of Ray Ventura, door wie Sacha allemaal werd beïnvloed? Of was het Brigitte Bardot die bij haar woonde?

Marie-Claire is niet alleen een rauwe tante, ze is natuurlijk ook slim. Immers, ze heeft haar diploma’s van de Sorbonne, min of meer synoniem voor de Universiteit van Parijs. Gesticht in 1257 door Robert de Sorbon, is het instituut niet meer weg te denken uit het hart van de stad, ook al heeft het eerste universiteitsgebouw zijn oorspronkelijke functie allang verloren. Maar toch, onze hoofdpersoon studeerde er, net zoals bijvoorbeeld Calvijn en Thomas van Acquino, Roger Bacon en de Syriër Orwa Nyrabia (die ik helemaal niet ken hoor, maar zo’n naam staat wel interessant).

En dan heeft onze heldin ook nog een schilderij van Picasso (1881-1973) gestolen?!? De kunstenaar zelf behoeft geen nadere introductie, maar dat Sarstedt juist hém kiest als slachtoffer van een schilderij-diefstal is niet verbazingwekkend. Volgens het Art Loss Register, dat 170.000 gestolen schilderijen omvat, is Picasso de populairste kunstenaar onder het dievengilde. Overigens werd Picasso zelf in 1911 enige tijd vastgehouden door de politie van Parijs, op verdenking van de kortstondige verdwijning van de Mona Lisa uit het Louvre. Er was echter te weinig bewijs…

Een mens moet af en toe ook eens op vakantie. Maison Bellevue bestond toen nog niet, dus gaat Marie-Claire naar Juan-les-Pins, aan het begin van de 20eeeuw een mondaine badplaats tussen Cannes en Nice. Lilian Harvey, een van oorsprong Duitse zangeres, danseres en actrice, had in Juan-les-Pains haar eigen hotel. Zij overleed er in 1968, dus Marie-Claire kan haar nog nét hebben ontmoet. Net als Omar Shariff trouwens; die ging er niet dood, maar speelde er wel traditiegetrouw op het grote bridgetoernooi in de badplaats. Voorts bracht Picasso er zijn vakanties door (daar zal ze dat schilderij dan wel hebben gejat), net als eerder F. Scott Fitzgerald en Douglas Fairbanks.

Hoe dan ook, Marie-Claire ligt er op het strand in haar monokini (daar waagt Claudia Cardinale zich in de clip dan weer niet aan), die vijf jaar eerder was ‘uitgevonden’ door de Oostenrijkse Amerikaan Rudi Gernreich, die ook de naam bedacht.

Hier is het tijd voor een anekdote: het was in dezelfde late jaren zestig dat mijn broer, zus en ik met onze ouders in de Peugeot 404 op vakantie naar het Garda-meer tuften. Daar lag een ouderwets passagiersschip afgemeerd, dat vakantiegangers van de lokale camping mochten gebruiken om, hangend over de zeereling, te vissen, te spelen of op het hete dek te zonnen. Een jonge vrouw deed dat laatste. Ze kwam dagelijks in monokini naar het schip toe, een handdoek decent om haar bovenlichaam geplooid, vleide zich neer op het dek, maakte haar rug bloot voor – zoals Sarstedt dat zingt – ‘an even sun tan, on her back and on her legs’. Mijn vader en nog een paar kerels, hadden dat gauw in de gaten en het plan was snel gesmeed: een van de mannen ging op de hoger gelegen brug staan met een hoorntje met ijs. Pa posteerde zich quasi nonchalant met een fototoestel op de boeg van het schip. De rest laat zich raden: man één liet het ijsbolletje uit zijn hoorntje vallen op de rug van de slapende zonne-aanbidster, die kwam in een schrikreactie omhoog en mijn vader nam de foto. Die nog lang op de camping heeft gecirculeerd…

Enfin, zo’n monokini neem je natuurlijk niet mee op wintersport, ook al ga je dan naar het beroemde Sankt Moritz in Zwitserland, waar onze hoofdpersoon met ‘de anderen van de jetset’ vertoeft als er sneeuw valt. Sankt Moritz wordt beschouwd als de bakermat van het wintertoerisme, want het was hoteleigenaar Johannes Badrutt die al aan het einde van de negentiende eeuw Engelse zomertoeristen met winterse zongarantie naar Sankt Moritz lokte. De plaats groeide uit tot een mekka voor de rijken, met nu nog altijd vijf hotels met vijf sterren, op nog geen vijfduizend inwoners!

Marie-Claire sipt er van haar Napoleon brandy. De legende wil dat Napoleon, toen hij op 7 augustus 1815 – enkele maanden na zijn Waterloo bij Waterloo – aan boord stapte van de HMS Northumberland om naar zijn ballingsoord Sint-Helena te worden gebracht, mocht uitzoeken wat voor drank hij wilde meenemen op zijn reis, die 67 dagen zou duren. De kleine keizer (Martin Bril schreef onder dezelfde titel ooit een prachtig boek over Bonaparte) koos voor een paar vaatjes cognac, waar de Engelse officieren aan boord zich de hele zeereis aan te buiten gingen…

Met zoveel charme kent Marie-Claire de halve wereld. Inderdaad, onder wie de Aga Khan. Dat is geen naam, Aga Khan, maar een functie voor een soort super-imam, die in 1818 voor het eerst werd verleend. De bedoeling is dat de Aga Khan, dat ‘Grote Heerser’ betekent, op allerlei manieren reclame maakt voor het islamitische geloof. De huidige vertegenwoordiger, prins Shah Karim al-Husayni, is pas de vierde en bekleedt zijn functie al sinds 1957. Dus die rakkers worden dus stokoud. En, met een geschat fortuin van 17 miljard (!) dollar nog eens schathemeltje rijk ook, want onze Marie-Claire, krijgt zomaar een renpaard cadeau voor de kerst?!?

Rest nog de vraag wie – buiten Peter Sarstedt zelf natuurlijk – toch de verteller is van het verhaal. Wie kent alle gewoonten van Marie-Claire? Wie kent haar vrienden, haar verleden en, uiteindelijk, zelfs haar gedachten? Dat is het andere kind met wie zij in de achterbuurten van Napels bedelde om in leven te blijven. Met wie zij zo wanhopig probeerde om de armoede van zich af te schudden. Enfin, dat heeft Marie-Claire in ieder geval klaar gespeeld. Maar of ze daarmee ook zo gelukkig is geworden…?