Wie van hout houdt…

‘Wie van hout houdt houwt hout’ stond vroeger (staand) te lezen op de muur van het toilet van mijn vriend Bart. Dezelfde spreuk hing ingelijst aan de wand van de wc van mijn vriend Peter en idem bij vriend Paul. Maar die drie zijn dan ook broers.

Met malle is dat niet Bart, Peter en Paul naar de houtschuur van Frankrijk zijn verhuisd, maar mijn bruid en ik. Want zo kun je de Morvan met een gerust hart noemen: één grote houtschuur. En dan heb ik het niet over de productie van Douglas, noch over de kolossale kweek van kerstbomen (ook hout), maar puur over brandhout. Eiken en beuken, meneertje, dat is waar het hier om draait.

Dat is niet van vandaag of gisteren. Neen, voordat steenkool werd ontdekt als verwarmingsbron voor de grote steden – op de lagere school leerden we al over de beruchte Londense ‘killer smog’ van 1952, een combinatie van mist (fog) en de rook (smoke) van kolenkachels, die naar schatting 1200 levens eiste – stookte gans Parijs op hout. Uit de Morvan, wel te verstaan.

Het was in de dagen dat schepen nog van hout waren en mannen van ijzer. Want die laatsten kapten met het handje hectare na hectare bos, tot stammen van een meter of twee. Louter op ellebogenstoom. Die bomen werden op ossenkarren geladen en over kilometers lange, glibberige paden naar de eerste halte gebracht. Niet Parijs – dat was de eindhalte – doch de boorden van het Lac des Settons. Daar werden de loodzware stammen gelost en in het water gegooid. Dat lijkt de brandbaarheid van het stookhout niet te goede te komen, maar het verhaal is dan ook nog niet af. Want er werd net zo lang hout aangevoerd, totdat je letterlijk van de ene kant van het meer – met een oppervlakte van ruim 3,6 vierkante kilometer toch geen klein plasje – naar de andere kon lopen over de bomen.

En nu nog weer wat meer terug in de tijd… Want reeds in de achttiende eeuw zochten ingenieurs naar een eenvoudige methode om dat hout vanuit de Morvan te vervoeren naar de Lichtstad. Dat moest over water kunnen, redeneerden zij. Immers, de Seine, de beroemdste rivier van Frankrijk, ontspringt in de Morvan en voert zo’n 300 kilometer verder als een majestueuze watergang door Parijs. Ik heb er uit balorigheid wel eens in gewaterd, bij de bron van de Seine, mij verkneukelend bij de gedachte dat honderden kilometers verderop een nadorstige clochard mijn plas zou proeven. Maar genoeg ontboezemingen…

Pas een kleine eeuw later werden deze ingenieuze bedenksels realiteit: er kwam een stuwdam (Le Barrage) in het dal van de rivier de Cure. Omdat het water bleef komen maar niet weg kon, liep dat dal vol. Bruggen en boerderijtjes, wegen en weilanden kwamen onder water te staan en in 1858, toen Napoleon III de dam opende (of eigenlijk: dichtte), was het Lac des Settons een feit.

En nu dan terug naar die stammen, want daarover was ik een boom aan het opzetten. Zodra het meer dus vol lag, werden de sluizen van Le Barrage geopend en gulpte bijna 20 miljoen kubieke meter water met donderend geweld naar de rivierbedding beneden, de tienduizenden boomstammen meesleurend in de val. Via via kwam die plons water-met-bomen uiteindelijk in de Seine terecht, om zo zonder al te veel inzet naar Parijs te stromen.

Pas in de jaren twintig van de vorige eeuw kwam deze handel, waar de halve bevolking in de straatarme streek van moest leven, tot een eind, doordat eerder genoemde steenkool het hout als brandstof verving. Maar de productie is nooit helemaal gestopt. Nu nog zijn er kleine en grote houtvesters die jaarlijks tonnen aan eiken en beuken omhalen en tot brandhout zagen en hakken. En geen wonder ook, door de arme grond in de Morvan, groeien de bomen nu niet bepaald tot in de hemel. Sterker, een fatsoenlijke plank kun je er nauwelijks uit zagen, omdat de meeste eiken kort en krom zijn, gelijk de Morvandiaux zelf.

Hoe dan ook, heel Bellevue stookt op hout. De grote cv-kachel draait erop en de negen (9!) houtkachels  in de uiteenlopende vakantiehuizen worden er eveneens mee gevoed. De warmte ervan is behaaglijk, het vlammenspel romantisch en de ecologische voetafdruk beperkt, omdat het hout om de hoek wordt gekapt. Bovendien krijg je het er drie keer warm van: de eerste keer tijdens het hakken, dan bij het stapelen en tot slot tijdens het branden. Ik denk dat ik maar eens een spreuk ophang bij ons in het toilet: ‘Wie van hout houdt houwt hout’…